|
Nieuwsbrief 2011
Fiscale Nieuwsbrief (selectie uit alle nummers)
Pensioen en gouden handdruk
1. Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
ingediend
2. Kwalificatie pleegkind
Lijfrenten
3. Ombudsman: Belastingdienst
moet te laat verzoek lijfrentepremieaftrek toch toewijzen
4. Combinatiepolissen niet als één
verzekering aangemerkt
5. Schenkingsmogelijkheden van een
kapitaalverzekering met lijfrenteclausule
Pensioen en gouden handdruk
1. Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet ingediend
Met het oog op de invoering van de Pensioenwet (PW) per 1 januari
2007, heeft minister De Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
een invoerings- en aanpassingswet ingediend. Dit wetsvoorstel bevat
onder andere noodzakelijke aanpassingen van de Wet op de loonbelasting
1964 (Wet LB).
De belangrijkste aanpassingen van de fiscale wetgeving zorgen ervoor
dat de fiscale behandeling van het pensioen van de directeur-grootaandeelhouder
(dga) geen veranderingen ondergaat. De dga zal namelijk niet onder
de PW vallen, maar behoudt wel de mogelijkheid om een fiscaal gefacilieerd
pensioen op te bouwen. Op grond van dit wetsvoorstel zal de terminologie
van de Wet LB in overeenstemming worden gebracht met de PW.
In de PW wordt het begrip nabestaandenpensioen gehanteerd als verzamelbegrip
voor partner- en wezenpensioen. Dit betekent niet dat elk partnerpensioen
dat aan de in de PW gegeven definitie voldoet, ook fiscaal gefacilieerd
wordt. In de Wet LB wordt bepaald in hoeverre een partnerpensioen
als bedoeld in de PW fiscaal gefacilieerd wordt. Dit geldt ook voor
het ouderdomspensioen: niet ieder ouderdomspensioen als bedoeld
in de PW wordt fiscaal gefacilieerd.
De data waarop deze artikelen in werking treden, zullen bij Koninklijk
Besluit worden vastgesteld.
Noot FZ:
Dit wetsvoorstel is belangrijk voor de invoering van de PW. Regelgeving
is nodig om de overgang van de PSW naar de PW goed te laten verlopen.
(Bron: Tweede Kamer, 18 augustus 2006, nr. 30 655)
2. Inwonende jongere broers zijn geen pleegkinderen
Voor het hof 's-Hertogenbosch diende de volgende zaak. Belanghebbende
heeft de zorg van zijn twee jongere broers op zich genomen. In geschil
is of de broers kunnen worden aangemerkt als pleegkinderen voor
de Wet inkomstenbelasting 2001. Het hof oordeelde dat de inwonende
jongere broers niet kwalificeren als pleegkinderen, aangezien de
relatie tussen broers niet gelijkgesteld kan worden aan de relatie
tussen ouder en kind. Het hof heeft in haar overweging meegenomen
dat de belanghebbende zelf heeft verklaard, dat hij niet het gezag
voert over de broers. Aan de door de Hoge Raad eerder geformuleerde
opvoedingseis dat vaderlijk gezag moet worden gevoerd,
wordt daarmee niet voldaan.
Noot FZ:
De kwalificatie als pleegkind kan relevant zijn voor de aanspraak
op wezenpensioen ten behoeve van de kinderen. Voor wezenpensioen
is mede van belang of wordt voldaan aan de begripsomschrijving in
het pensioenreglement.
(Bron: Hof 's-Hertogenbosch, 13 juli 2006, nr. 04/01818)
Lijfrenten
3. Ombudsman: te laat verzoek lijfrentepremieaftrek
toch toewijzen
Belanghebbende heeft in 2001 en 2002 lijfrentepremies betaald, maar
verzuimd om deze in aftrek te brengen. Belanghebbende verzoekt de
Belastingdienst in 2005 om de premies alsnog in aftrek te mogen
brengen. De Belastingdienst wijst het verzoek af omdat deze verzoeken
uiterlijk 31 december 2002 respectievelijk 31 december 2003 ingediend
hadden moeten zijn.
De Nationale Ombudsman acht deze weigering van de Belastingdienst
onredelijk en doet de aanbeveling alsnog ambtshalve vermindering
te verlenen aan belanghebbende. De termijnen die de Belastingdienst
hanteert, hangen samen met de bestrijding van oneigenlijk gebruik.
Maar gelet op de zeer nadelige gevolgen voor belanghebbende (met
name de 'verhuizing' van de lijfrente naar box 3) had de Belastingdienst
het verzoek ondanks de termijnoverschrijding toch moeten honoreren.
Noot FZ:
Een opmerkelijke aanbeveling van de Nationale Ombudsman in deze
casus. Als de Belastingdienst het advies overneemt, zet dat naar
onze inschatting de deur open voor vergelijkbare verzoeken. Want
welke klant heeft niet te maken met deze nadelige gevolgen als deze
verzuimd heeft een (lijfrentepremie)bedrag in aftrek te brengen?
Wij zijn dan ook zeer benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris
en de eventuele extra ruimte die hij op dit vlak wenst te geven.
Overigens is de Belastingdienst niet verplicht het advies van de
Nationale Ombudsman te volgen.
(Bron: Nationale Ombudsman, 28 juli 2006)
4. Combinatiepolissen niet als één
verzekering aangemerkt
Belanghebbende heeft in 1989 gelijktijdig een premiebetalende kapitaalverzekering
(hoog/laag) en een direct ingaande lijfrenteverzekering tegen koopsom
afgesloten. De lijfrenteverzekering loopt nog 15 jaar door nadat
de kapitaalverzekering in 2001 tot uitkering is gekomen. De lijfrentetermijnen
zijn qua omvang gelijk aan de premie voor de kapitaalverzekering.
Volgens de inspecteur is er sprake van één verzekering
gedurende de periode dat de kapitaalverzekering en de lijfrente
gelijktijdig naast elkaar bestonden. Deze verzekering wordt door
hem aangemerkt als een kapitaalverzekering tegen koopsom waarvan
de uitkering in 2001 belast is.
Het hof Arnhem oordeelt dat er weldegelijk sprake is van twee afzonderlijke
verzekeringscontracten aangezien de looptijd van de lijfrenteverzekering
substantieel afwijkt van de looptijd van de kapitaalverzekering.
De uitkering uit de kapitaalverzekering in 2001 is dan ook onbelast.
Noot FZ:
In een serie rechterlijke uitspraken over combinatiepolissen is
dit de eerste overwinning voor een belastingplichtige. De afwijkende
duur van de lijfrenteverzekering ten opzichte van de kapitaalverzekering
is in een eerdere procedure ook als argument gebruikt (zie Nieuwsbrief
2006 nummer 8, punt 4). In die procedure oordeelde de rechtbank
Arnhem dat ondanks de afwijkende (langere) duur van de lijfrenteverzekering
er toch sprake was van een combinatiepolis. Het hof Arnhem verschilt
hierover dus van mening met haar lagere rechters. Afwachten is of
het openbaar ministerie in cassatie zal gaan. Voorlopig is deze
uitspraak is in ieder geval een steun in de rug van verzekeringnemers
die vergelijkbare combinaties van verzekeringen hebben lopen.
(Bron: Hof Arnhem 26 juli 2006, nr. 2004/00328)
5. Schenkingsmogelijkheden van een kapitaalverzekering
met lijfrenteclausule
Vanuit de praktijk bereiken ons in toenemende mate vragen over de
verschillende bestedingsmogelijkheden voor expirerend kapitaal uit
een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. Naar aanleiding van
deze vragen wordt hieronder ingegaan op de schenkingsmogelijkheden
die een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule biedt.
Kenmerkend verschil tussen een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule
(oud regime) en een gerichte lijfrente (regime vanaf 1992) is dat
de begunstiging van de lijfrente oud regime vrij is. Hierdoor is
het mogelijk om door middel van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule
schenkingen te doen. Deze schenking kan op verschillende manieren
plaatsvinden. De meest gunstige wijze is de schenking waarbij de
termijnen van de ingegane lijfrente toekomen aan een ander dan de
verzekeringnemer (zie onder A).
Wellicht ten overvloede merken wij op dat schenking van of met
lijfrenteverzekeringen die zijn afgesloten ná 15 oktober
1990 (premiebetalend) of 1 januari 1992 (koopsom) fiscaal niet mogelijk
is. De lijfrenteverzekering voldoet dan niet meer aan de voorwaarden
en de waarde van de verzekering wordt als negatieve uitgaven voor
inkomensvoorzieningen bij het inkomen geteld. Ook is revisierente
verschuldigd.
A. schenking van de termijnen
Vader V heeft een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. Binnenkort
expireert de kapitaalverzekering. Het expiratiekapitaal bedraagt
€ 50.000. Zijn dochter D is net 18 jaar geworden en gaat studeren.
V besluit het expiratiekapitaal aan te wenden voor een direct ingaande
lijfrente met een duur van 6 jaar. De jaarlijkse uitkering bedraagt
€ 10.000. V is verzekeringnemer en verzekerde. D wordt begunstigde
van de lijfrentetermijnen. V kan als verzekeringnemer de begunstiging
van de toekomstige termijnen wijzigen en behoudt op deze manier
grip op de verzekering en daarmee de schenking. De termijnen worden
belast bij D. Ervan uitgaande dat D geen andere inkomsten heeft,
is ze een bedrag aan inkomstenbelasting verschuldigd van 'slechts'
€ 1.424 (tarief 1e schijf 34,14% en een heffingskorting van
€ 1.990). Omdat de termijnen belast zijn met inkomstenbelasting
is er op grond van de samenloopregel géén schenkingsrecht
verschuldigd.
Voordeel van deze constructie is dat vermogensoverheveling plaatsvindt
waarbij géén schenkingsrecht is verschuldigd en de
termijnen slechts tegen een zeer laag tarief inkomstenbelasting
belast zijn. Daarnaast houdt V zeggenschap over de verzekering,
zodat hij de begunstiging altijd kan wijzigen.
B. schenking van het expiratiekapitaal
Vader V wijst D tijdens de looptijd aan als begunstigde van de kapitaalverzekering
met lijfrenteclausule. Bij expiratie wordt D verzekeringnemer en
begunstigde van de direct ingaande lijfrente. V is verzekerde. Op
het moment van expiratie gaat er vermogen over van V naar D. Dit
is een belaste schenking ter hoogte van het expiratiekapitaal. Ter
bepaling van het schenkingsrecht kan op het expiratiekapitaal 30%
latentie in mindering worden gebracht. Dit aangezien er in de toekomst
inkomstenbelasting is verschuldigd over de termijnen. Het verschuldigde
schenkingsrecht bedraagt circa € 1.800. Overigens is D ook
in deze situatie jaarlijks inkomstenbelasting van € 1.424 over
de termijnen verschuldigd. In dit voorbeeld zijn we ervan uitgegaan
dat V in het verleden al een forse schenking aan D heeft gedaan,
waardoor de eenmalige verhoogde schenkingsvrijstelling reeds is
gebruikt.
Nadeel van deze constructie is dat V geen grip meer heeft op de
schenking en dat D naast inkomstenbelasting, ook schenkingsrecht
verschuldigd is. Overigens merken wij hierbij op dat naarmate het
kapitaal hoger is en de verwantschap tussen schenker en begiftigde
verder verwijderd is, de omvang van het schenkingsrecht progressief
toeneemt.
C. schenking voor expiratie van de verzekering
Naast de hiervoor omschreven mogelijkheden kan een schenking ook
plaatsvinden door vóór de expiratie de begunstiging
door de begiftigde te laten aanvaarden óf door de begiftigde
als verzekeringnemer aan te merken (=overdracht van de verzekering).
Nadeel van deze constructie is dat in beide gevallen op dat moment
een schenking wordt geconstateerd, waardoor meteen schenkingsrecht
verschuldigd is. Bovendien heeft de schenker geen grip meer op de
schenking. Voordeel is dat geen schenkingsrecht over de toekomstige
waardeaangroei verschuldigd is.
(Bron: Vragen uit de praktijk)
Deze Nieuwsbrief is een uitgave van de afdeling Fiscale Zaken van
SNS REAAL. De Nieuwsbrief is met zorg samengesteld; aan de inhoud
ervan kunnen echter geen rechten worden ontleend.
|